Niemandsland_1

Er waren korenbloemen, papavers
Het kind
bang voor onweer
Rode rode vlekken
want vlooien en muggen
Versneden winterschoenen
sandalen
De ruïne van oma’s huis.

Er was veel avondrood
veel ochtendgloren
Altijd scheen de zon
Dagen  zonder naam
Zomer zonder einde
Stilte hing overal.

De koekoek zingt dichtbij en ver
De klok tikt tikt
Vredig  en vergedragen
klinkt het praten
Over de dorpsstraat ratelt een kar

Wat voorbij is verdampt,
verdampt.

Hoge wolken lage nevelslierten
trekken over  morgenland
Kinderen zoeken salamanders
In een glazen potje
zijn water en vuur gevangen.

.

Niemandsland_1

Niet naar niemandsland
Niet naar niemandsland
Soldaten zullen schieten
In godsnaam
Doe me geen verdriet en
blijf aan deze kant van
grens en
duister bos

Het kind wist 
geheimen worden  daar
gevangen in Doornroosjes
haag van  honderd jaar

Smokkelpad
Kruipend over het mos

Ergens klinkt een accordeon
met vertrouwde akkoorden
Opeens schijnt een nieuwe zon
Stil  kijken
Luisteren, luisteren
Een man zingt  in vreemde woorden

En de wind  tokkelt
Niet naar niemandsland
Niet naar niemandsland

.

Niemandsland_1

Hoe anders
zijn de wilde viooltjes
tussen de wortels van de berk
Onbereikbaar
voor de maaier
Gele heilige hartjes
in donker donker paars
Gevlucht en verborgen.

Hoe anders dan
de betoverde
Oostindische kers
Lichtspel van oranjes
Omringd door lentegroen
Zegevierend en nazomers
spreidt ze zich over de border
Langs het gaas
In volle wasdom
Niets ontziend

Ik ben die ik ben

Die ik ben

.

Niemandsland_1

Er staat in buurmans tuin
als van de hoge Libanon gehaald
en in dit lage land verdwaald
een ceder. De driehoekige kruin 

een leven van licht
en donker. De stam,
wat streng en stram
door de plicht

de zon te vangen,
te voeden, te dragen,
te wortelen in de klei.

Lier voor gezangen
Zonder woorden. Door vlagen

van de wind. Kind van mij.
.

Niemandsland_1

Uit de latyrus stijgt
een bloem. De vlinder
danst ongehinderd
naar een twijg

van de appelboom.
De duiven, zonnend gemak,
op de nok van het dak,
om te vliegen te loom.

Het lijkt grijpbaar,
dit achtergebleven
visioen van het paradijs.

Ben ik de eigenaar
van dit stilleven?

Renterecht, procentsgewijs?
.

Niemandsland_1

Volle maan. Het zwart
van de dalgrond draagt
oneindig zilver. Verjaagd,
ineens ontward,

de woelige wolkenstrijd.
Nu staat het leven stil.
Herinneringen, in weerwil,
opgewaaid door de tijd,

als snippers van een brief.
“Kom hier, Rosa...”
Gitten kind,

je  bent mijn lief.
Al marcheerde buurman met de W.A.,

dit ruime land is je vrind.
.

Niemandsland_1

Vuurman zweeg en vogels zongen vol,
Laange scharen kwammen van t oavondlicht.
Hai boog in heur richten nor t wiede blaauw.
Kom, wie goan nor heur dij Broed worren zol.
Dij komt in volle vree, vint nooit ja deure dicht.
An t blad van dizze miere snoef nou gaauw

Geduldege plicht en binnend gewin
kloppen deur t bloud
ja aaldoagse eb en vloud.

t Schiensel van zunne wuir bloudrood,
Daip oamde k stroom van t levent intied
doezend vroagen verswonnen, wazzen dood,
ook baangeghaid van eerder gong an zied.
Op stroom van IJ haar wie nou n wied gezicht.
Muntendam en Maiden vierden mit
T stille feest van Billiton zien licht,
Dat kim weerom gaf, helder wit,

Eerste drij steerns! En Vuurman gebood:
Wie nemen nou n ogenblik rust.
Veur ons is toavel dit flakke land
mit licht en wien, zolt en brood.
Dou schepte hai kaalm en hail gerust
van  waal of t wotter in zien haand.

In dit zo grode kosmische gebaauw
mout minsk zok t midden woanen.
Zo torent e boven dag en daauw,
Rekkend nor zunnen, rekkend nor moanen,
Doar dronk ik oet beker van zien hannen
en op t ritme van zien vrumd gefluuster
löösde k op in t wiede van ons lannen,

diamanten stroalden deur t valend duuster.

 

 

 

.
.